Echt zien Echt zien
(Column door Marco Visser)

Op mijn inburgeringsronde kwam ik op de koffie bij de directeur van de Stephanusschool. Een bevlogen, wijze vrouw. Bijna terloops vertelde ze dat misschien wel 90 procent van ‘haar’ kinderen rond en onder de armoedegrens leeft. Terwijl ik dat nog zat te verwerken, voegde ze eraan toe dat dat nog niet het grootste probleem is: ‘Dat is de onveiligheid: soms kan een kind niet naar school, omdat er ruzie is op de galerij. Dan staat er een buurman met een mes.’ Even later: ‘Het zijn allemaal lieverds. Wij kunnen de wereld niet redden, maar wel ervoor zorgen dat hier op school een goede, veilige sfeer is, waarin de kinderen kunnen leren en groeien. Dat begint met dat ze gezien worden.’

Het is op 3, 4 minuten fietsen van waar ik woon. Meidoornsingel af, stukje Wilgenplaslaan, Teldersweg richting Asserweg. Zeven of acht straten, waarvan sommigen zeggen dat problemen er groter zijn dan in heel Charlois. Dat wordt alleen niet gezien, omdat Schiebroek natuurlijk gemiddeld altijd hoog en groen scoort op alle grafieken. Heerlijk wonen hier! Als je de goede kant op kijkt.

Handelingen 3 vertelt het verhaal van een man die verlamd bij de poort van de tempel ligt. Hij doet niet mee, hij mag de tempel niet in, maar het is wel een goede plek voor een aalmoes. Mensen lopen langs, ze zullen af en toe wel wat geven, maar deze mens, zijn naam, zijn gezicht, zijn verhaal, wordt niet gezien.

Dan komen Petrus en Johannes langs. Niks bijzonders aan die twee, ze hebben niets, nog geen kleinigheid om hem te geven. Wel zijn ze aangestoken door dat vreemde bericht van de opstanding. Dat vuur dat opstandig maakt. Ze staan stil en ze kijken, en ze kijken niet alleen, ze zien ook. Een moment van werkelijk zien. Elkaar áánzien. Het is dit ogenblik, dat alles verandert. Hierdoor wordt deze mens, uit de verlamming vandaan, op z'n benen gezet.

Zien wij elkaar, zien wij die ander? Zien wij écht?

...
Petrus keek de man vast aan,
samen met Johannes, en zei:
Kijk naar ons.
De man tuurde naar hen,
in de verwachting iets van hen te krijgen.
Petrus zei:
Zilver en goud bezit ik niet,
maar wat ik heb, dat geef ik je:
in de naam van Jezus Messias, de Nazarener: wandel!
Hij greep hem bij de rechterhand
en deed hem opstaan.

(Handelingen 3: 4-7)

 
terug